nieuws

Kaj’s column

Dinsdag 28 april 2026

Kaj Reker (gepensioneerd basketballcoach aan de RUG) laat dit seizoen regelmatig op persoonlijke titel zijn licht schijnen op aspecten van ons geliefde spelletje.

Passen

 

Dit stukje had eigenlijk rond Pasen het licht moeten zien, maar daar kwam wat tussen. Ik wilde het inderdaad over de pass hebben. Passen is nog steeds niet echt een Nederlands woord geworden. We weten niet eens echt hoe je het moet schrijven. Pasen is voor Pinksteren en Passen zijn stappen of anders is het iets met puzzelen of meten. Die moeten ook gemaakt, zeker, maar het gaat hierbij toch echt over het overspelen van de bal. Pass-en schreven we vroeger.

 

Passen is communicatie. Het gestencilde clubblad van de oude Groninger basketballclub Olympia heette dan ook ‘Pass’. Die Pass kwam meestal aan. De zender is daarvoor verantwoordelijk. In het basketbal geven we ook meestal de schuld aan de afzender, als de pass niet aankomt. Toch is een van de belangrijkste aanwijzingen die je kunt geven als coach: ‘wees een goede ontvanger’.

 

Passing is in veel opzichten ook te vergelijken met de bloedsomloop. Als daar iets in stokt, hapert de flow. Dat er op een gegeven moment iets haperde was een poosje geleden wel duidelijk. Het spel werd wat stroperiger, het ritme stokte. Eén slechte pass leidde tot een volgende. Er werd meer afgespeeld dan aangespeeld. Uit de lichaamstaal sprak meer angst voor balverlies dan aanvallende overtuiging. Dat had een aantal tegenstanders ook wel door…

 

‘We willen dat ze niet meer passen, maar dat ze gaan gooien, of helemaal niet meer passen en zich vastdribbelen’ , zegt de coach van de tegenstander bij de wedstrijd-voorbereiding. Vaak zien zijn of haar spelers dat zelf ook wel. Als voorbeeld is het ook interessant om de NBA-playoffs, met name die tussen Denver en Minnesota, te volgen.

 

En wat kan er dan veranderen tussen een paar wedstrijden? Niets wat je nog zou kunnen trainen, heeft heel veel direct effect, maar erover praten en kleine aanpassingen in de team-afstelling kan dat wel hebben. Bijvoorbeeld: willen we dat altijd dezelfde speler de eerste pass geeft, of is dat teveel druk en gemakkelijk te doorzien? Gaan andere spelers alleen nog afspelen en niet aanspelen?Kiezen voor andere openingen kan al veel uitmaken. Dat weet ook elke schaker: Vandaag maar eens de ‘Queen’s Gambit’ in plaats van ‘Schönfeld Indisch’. In schaken gaat het erom je stukken te ontwikkelen en te laten dreigen naar verschillende belangrijke posities op het bord. Dreigen, durven en spelen zijn essentiële begrippen in een teamspel.

 

John Wooden, the Wizard of Westwood, had een wat andere opvatting over passen dan die andere tovenaar Gandalf. Hij zei niet: ‘Thou shall not pass!’, maar hij moedigde juist creatief overspel aan. Volgens hem zou het team dat het meeste fout deed, toch meestal winnen. We spreken dan van een positieve ‘Assist-Turnover Ratio’. Vaak staan deze woorden andersom trouwens, maar ‘TO-AsssistRatio’ is dus precies de verkeerde nadruk.  In mijn -door Wooden gemanipuleerde- ogen is dit deze insteek nou juist wat het verschil kan maken tussen wedstrijden.

 

Er is een directe correlatie tussen het effect van de pass en de mogelijkheden van de passer. En dat is wat we zagen in de wedstrijd tegen Mechelen. Ontwikkelde spelers. Niet een grotere focus op het voorkomen van balverlies, maar wel een verruimen van de slaagmoed van ieders acties. Een mooi voorbeeld, dat de samenvatting op DonarTV zeer terecht heeft gehaald, kwam in het tweede kwart. De hand-off  (Het screenend “overhandigen” van de bal), is het hele seizoen al trending, maar resulteerde vaak precies in dat: de cutter krijgt de bal met maar een beetje meer ruimte. Deze keer nam Forrest zijn eigen dreiging serieus, zag dat zijn eigen tegenstander iets teveel op de cutter lette, vond het open midden, beloonde zichzelf en het publiek met een denderdunk en bewees de stelling van Wooden maar weer eens. In dit geval door te passen voor pass-en. Met grote passen.

Deel op social media